Arbeidersstrijd, revolutie, partij: over Rosa Luxemburg

Onderstaande tekst schreef ik voor het overgrote deel in 2020-2021 en erna uitvoerig bijgeschaafd; de paragraaf ‘Ter Afsluiting’ dateert van de nacht van 6 op 7 juni 2024.

Rosa Luxemburg is van de befaamde marxisten uit de glorietijd van de door het marxisme geïnspireerde arbeidersbeweging en een die onder anarchisten relatief veel waardering geniet. Daarvoor is reden. Tegelijk dienen we als anarchist in onze waardering voor zelfs een zo kritisch en vrijheidslievend marxist wel een beetje maat te houden. Ze blijft wel marxist, partijmarxist zelfs. En dat heeft consequenties ook.

De redenen voor waardering uit anti-autoritaire hoek zijn velerlei. Minder dan veel andere marxisten liet zij zich vastzetten door partijstructuren en door leidinggevende organen daarvan. Minder dan vooraanstaande marxisten vertrouwde ze op gecentraliseerd bestuur in partij en staat. Over de Russische Revolutie en de politiek van Trotski en Lenin daarin was ze kritisch, deels met argumenten die anarchisten onderschrijven. Voeg daarbij het feit dat ze zich als weinig anderen principieel keerde tegen de steun die de sociaaldemocratische partij waar ze deel van uitmaakte, aan oorlogsdeelname verleenden, en de gevangenschap die ze vanwege haar revolutionaire antimilitaristische opstelling opgelegd kreeg. Voeg daar ook nog bij haar korte, furieuze inzet voor de Duitse Revolutie nadat ze uit die gevangenschap was vrijgelaten, een furieuze strijd die haar het leven kostte.

Rosa Luxemburg verdient dus ons respect en waardering, een waardering die groter wordt als we lezen over haar warme persoonlijkheid en haar opvallende liefde voor de natuur waarvan ze bijvoorbeeld in haar brieven uit de gevangenis steeds getuigt. Respect en waardering zijn echter niet hetzelfde als instemming met de hoofdlijnen van haar politieke opvattingen en bijbehorende praktijk. Een anarchistische kijk op Rosa Luxemburg dient dan ook waardering met die kritiek te combineren om tot een evenwichtig beeld te komen.

Luxemburg en de sociaaldemocratie

Rosa Luxemburg zag het levenslicht in 1871, in Zamosc, in het deel van Polen dat destijds deel uitmaakte van het Russische Tsarenrijk. Ze kwam uit een joodse middenklasse-familie. Op school haalde ze goede cijfers, maar een daarbij horende onderscheiding kon ze vergeten vanwege haar kritische, weinig gezagsvriendelijke houding. Dat begon dus al goed. Ze raakte betrokken bij socialistische oppositiestrijd en zag zich genoodzaakt de wijk te nemen toen de repressie te dichtbij kwam. Ze ging naar Zurich in Zwitserland, waar flinke gemeenschap van socialistische ballingen bevond, en stortte zich daar in politieke discussie en activiteit. Ook ging ze studeren aan de universiteit. Ze bleef actief in de Poolse socialistische beweging, ook nadat ze in 1898 naar Duitsland vertrok en zich daar inzette binnen de gestaag groeiende Sociaaldemocratische Partij van Duitsland SPD. Daarin werd ze al snel een bekend, en bij de steeds sterker gematigde vleugel al snel berucht, spreekster en schrijfster.

Over die SPD eerst iets meer. Die was voorgekomen uit een fusie van enerzijds geestverwanten van van Marx en Engels, anderzijds aanhangers van Ferdinand Lasalle. Die laatste wilde socialisme vooral bereiken door staatsingrijpen en het stimuleren van coöperaties. Marx en Engels stonden een meer revolutionaire benadering voor, waarin de staat gezien werd als kapitalistisch en daarom de vijand. Maar de staatsmacht moest wel veroverd worden, om die macht vervolgens als hefboom naar het socialisme te bereiken. Verovering van de staatsmacht ging via verkiezingen. Dat parlementarisme als strategie hadden de aanhangers van Marx gemeen met met die van Lasalle. Dat maakte fusie mogelijk.

De uitkomst was een partij waar parlementaire activiteit centraal stond maar waarin marxistische ideologie de toon bepaalde. Dat klonk radicaal, en in de tijd dat de SPD wegens repressieve wetgeving, de zogeheten Socialistenwetten,vrijwel ondergronds moest werken weg, klonk de marxistische retoriek over revolutie ook aannemelijk. Na de opheffing van die wetten kregeen steeds gematigder benadering de overhand. Maar de officiële partijdoctrine was wel marxistisch en in woorden revolutionair.

DE SPD groeide gestaag, in ledental, in electorale steun, en in de groei van er aan gekoppelde verenigingen, vooral vakbonden. Maar die groei leidde tegelijk tot de opkomst van beroepspolitici, betaalde bestuurders van partij en vakbond. Bij hun positie paste voorzichtigheid: een te radicale opstelling zou de regering er toe kunnen brengen de repressie weer op te voeren, de partij ondergronds te drijven. Dan was het gedaan met invloed, prestige en betaalde functies. Deze angst combineerde zich met het feit dat de partij gaandeweg wel groter en invloedrijker werd. Alles op het spel zetten ter wille van de revolutie leek een riskante gok. Was het niet beter om te blijven inzetten op geleidelijke verandering via parlement, wetgeving en goed gekanaliseerde vakbondsactiviteit? Dit was al de praktijk. Een theoreticus in de SPD maakte er een boek over. Hij bepleitte daarin de herziening ofwel revisie van het marxisme, dat omgevormd moest worden in een analyse die een geleidelijke, parlementaire weg naar het socialisme aannemelijk maakte. Vanwege die beoogde revisie ging hij de geschiedenis in als voorvader van het revisionisme. Zijn naam was Eduard Bernstein.

Wat vond Rosa Luxemburg hier allemaal van? Die vond het helemaal niks. Zij was een revolutionaire sociaal-democraat, met de nadruk op dat ‘revolutionaire’. En ze baseerde zich op de theorie van Karl Marx zoals ze die verstond. Haar eerste bekende geschrift heette ‘Sociale Hervorming of Revolutie’.(1) Daarin liet ze zien dat Bernstein het bij het verkeerde eind had. Waar Bernstein beweerde dat de crisisneiging in het kapitalisme minder werden, betoogde Luxemburg het tegendeel. Waar Bernstein zei dat de tegenstellingen in het kapitalisme steeds minder scherp werden, liet Luxemburg zien dat dit hooguit tijdelijk en kortstondig het geval was. Steeds terugkerende crises en steeds verscherpende klassentegenstellingen waren eigenschappen van het kapitalistische systeem. Alleen een revolutionaire omverwerping van het systeem kon de weg naar het socialisme openen. Met parlementaire actie, wetgeving en vakbondsactiviteit kon je binnen het systeem verbeteringen gedaan krijgen, en dat was prima. Maar het systeem kreeg je er niet mee weg. Een aanpak die zich tot die hervormingsstrijd beperkte leidt dan ook tot een radicaal andere uitkomst dan een aanpak waarbij die revolutie als onontkoombare etappe wordt gezien, en waarin de strategie daar ook van uit gaat.

Het hele betoog is, in de marxistische termen waar Luxemburg mee werkt, volstrekt overtuigend. En ja, het was en is aannemelijk dat Marx en Luxemburg het bij het rechte eind hadden waar het de inherente crisis-tendensen en de toespitsende klassentegenstellingen betrof. Problematisch is echter uit anarchistisch oogpunt wel deze koppeling tussen analyse en praktijk. Alsof een revolutionaire opstelling alleen ter zake is als het kapitalisme zo in elkaar steekt als de marxistische analyse dat zegt. Ook Luxemburg is schamper over een socialisme dat zich louter op morele beginselen baseert. Hier blijkt het marxisme als ‘wetenschappelijk socialisme’ toch ook weer beperkt, ook in de handen van een revolutionaire geest als Rosa Luxemburg.

De jaren daarop kenmerken zich tot een steeds terugkerende strijd tussen een kleine revolutionaire stroming in de SPD en een dominante gematigde stroming. Maar die stroming werd niet openlijk revisionistisch. De polemiek tegen Bernstein werd niet alleen door Luxemburg gevoerd, maar door een groot deel van de partijtop gedragen, ook bijvoorbeeld door de ideologische leider Karl Kautsky. Dat wil echter niet zeggen dat die partijtop zich revolutionair ging opstellen. Nee, karakteristiek werd een parlementaire, reformistische praktijk die ideologisch werd onderbouwd met marxistische retoriek. Dat het vergezicht niet verder meer reikte dan verkiezingen en wetgeving, was de praktijk. De fout van Bernstein was in deze gedachtegang niet dat hij er zo over dacht, maar dat hij dat hardop zei en de theorie erbij wilde aanpassen. Maar die theorie – een marxisme dat naar revolutie bleef verwijzen – was veel te nuttig om de aanhang te blijven motiveren en te mobiliseren. Dus bleef op de 1 Mei-vieringen de naderende revolutie verkondigd worden, terwijl op 2 mei de bezadigde parlementaire praktijk gewoon verder ging. Waar in de rechterflank het revisionisme voort bestond, en waar ter linkerzijde Rosa Luxemburg stem gaf aan een revolutionaire vleugel, daar domineerde in het midden wat dan ook het Centrum genoemd werd, gedomineerd door Kautsky.

Centrum en linkervleugel, Kautsky en Luxemburg, kwamen tegenover elkaar te staan, met name rond de praktijk de strategie van de partij. Voor Kautsky kwam de beoogde revolutie feitelijk neer op de vorming van een socialistische regering na het veroveren van een meerderheid via de stembus. Misschien moesten er barricaden beklommen worden om een linkse verkiezingsoverwinning te verdedigen, of om ervoor te zorgen dat verkiezingen niet door een rechtse ingreep werden geblokkeerd. Misschien zou er sowieso een kapitalistische ineenstorting plaatsvinden, waarna de SPD naar voren kon stappen om de tent over te nemen. Kern was en bleef: verkiezingen, parlementaire machtsvorming, regeringsvorming, overname van de staatsmacht om daarmee het socialisme door te voeren.

Rosa Luxemburg onderschreef dit scenario feitelijk, maar legde andere accenten die gaandeweg uitgroeiden tot een wezenlijk andere benadering. Ze wees bijvoorbeeld de concessies die het Centrum geneigd was te doen om meer kiezers binnen te slepen, principieel af. De meerderheid die ze nastreefde moest wel een principieel socialistische meerderheid zijn. Ze zag liberale politici met relatief progressieve opvattingen niet als mogelijke partner, iets dat onder gematigder SPD-ers wel het geval was. Maar vooral nam ze de strijd buiten het parlement veel en veel serieuzer dan Kautsky en het Centrum van de partij deden. Ze gaf daarmee aan dat ze het aloude gezegde van Karl Marx’ Inaugurele Rede bij het oprichtingscongres van de Eerste Internationale uit 1864 serieus nam: de emancipatie van de arbeidersklasse kan slechts het werk zijn van de arbeidersklasse zelf. Dat Marx, met zijn nadruk op parlementaire activiteit, de essentie van zijn eigen uitspraak wat verwaarloosde, laten we hier maar eventjes terzijde.

Massastaking, spontaniteit en organisatie

Bij de buitenparlementaire strijd waar Rosa Luxemburg aandacht voor opeiste, nam vooral de staking een hoofdrol in. Dat bleek in 1905. Toen schreef ze een buitengewoon belangwekkende tekst: ‘Massastaking, Partij en Vakbond’.(2) Dat is een grootse lofzang op de stakingsstrijd in de Russische revolutie van 1905, een analyse van de rol die deze strijd volgens haar horde te hebben in de sociaaldemocratische strategie en tactiek. Ze beklemtoont daarin keer op keer de spontaniteit van de strijd, een strijd die niet wacht op instructies vanuit ene partijbestuur of vakbondskantoor, maar op eigen initiatief op gang kwam en zich vaak pijlsnel verspreidde. Ze wees op materiële resultaten van die strijd: Loonstijgingen, kortere werktijden. Ze wees erop dat deze strijd bijdroeg aan de vorming van vakbonden, iets dat je in het Russische rijk nog nauwelijks had. Ze wees er vooral ook op dat massastakingen de neiging hadden om zich van grenzen tussen ‘politieke’ en ‘economische’ strijd weinig aan te trekken. Loonstakingen konden zo snel groeien dat ze het hele staatsgezag begonnen uit te dagen en daarmee een politiek karakter kregen. Grote politieke stakingen konden zoveel solidariteit en strijdlust losmaken dat ze gevolgd werden door reeksen van kleinere ‘economische’ stakingen rond looneisen. Het is een grote draaikolk van strijdbaarheid, solidariteit en spontaniteit die vanuit de diepte van de arbeidersklasse kwam. Die nadruk op de spontaniteit vanuit de arbeidersstrijd zelf, met daarbij een stevige relativering van de rol van partij- en vakbondsbestuur, maakt het geschrift tot aangenaam en nuttig leesvoer voor anarchisten, vooral voor die richtingen in het anarchisme die arbeidersstrijd in het middelpunt van hun verhaal zetten, zoals het anarchosyndicalisme. Verwantschappen zijn er zeker, en leerzaam is de tekst ook. Maar het is zaak om oog te houden voor de verschillen. Rosa Luxemburg was geen als partijmarxist vermomde anarchist. Dat bleek uit twee zaken.

Het belangrijkste is dat de partij bij haar wel niet de complete regie over stakingsstrijd hoorde te hebben: dat konden arbeiders uitstekend zelf. Maar de partij had wel invloed. Het waren sociaaldemocratische leuzen die door arbeiders in hun strijd werden opgepakt, gehanteerd en uitgedragen. Het waren veelal actieve sociaaldemocratische partijleden die vooraan stonden in de stakingsstrijd en de organisatie daarvan. Sociaaldemocraten droegen dus zowel propagandistisch als organisatorisch bij aan de stakingsstrijd. Dit werd precies ook een punt dat Rosa Luxemburg maakte: door massastaking als strijdvorm serieus te nemen, kon een sociaaldemocratische partij haar invloed actief uitbreiden, ook onder tot dan toe ongeorganiseerde groepen arbeiders die niet aangesproken werden door de gangbare electorale- en vakbondsactiviteiten maar nu als het ware door stakingsstrijd waren wakkergeschud. Rosa Luxemburg pleitte ervoor om ook in Duitsland stakingen en dergelijke veel serieuzer te nemen dan het Centrum van de partij geneigd was te doen. Ook na 1905 bleef dit een twistpunt tussen dat centrum en de linkerzijde waar Rosa Luxemburg deel van uitmaakte. Maar ook voor haar bleef de partij onmisbaar in de strijd om van het kapitalisme af te komen. Anarchist was ze niet, en radencommunist zoals later mensen als Anton Pannekoek was ze evenmin.

Tweede punt waarom het wat onvoorzichtig is om Rosa Luxemburg te zien als nauw verwant aan het anarchisme is heel eenvoudig. Voordat ze haar lofzang op de spontaniteit van de klassenstrijd begon af te steken, had ze in een openingshoofdstuk van het geschrift het anarchisme smalend als het ware preventief terzijde geschoven. Zo van: wat gaat komen mag anarchistisch klinken, maar met het anarchisme heb ik niks! Daarbij hanteerde ze de in Marxistische kring toen al gangbare karikaturen. Engels wordt als volgt geciteerd: ‘De algemene staking is in het bakoenistische programma de hefboom van die tot inleiding van de sociale revolutie toegepast wordt. Op een schone dag leggen alle arbeiders van een land of zelfs van heel de wereld het werk neer en dwingen daardoor in hoogstens vier weken de bezittende klassen ofwel op hun knieën ofwel tot het losslaan op de arbeiders, zonder dat deze dan het recht hebben zich te verdedigen en te dien gelegenheid de hele oude maatschappij neerslaan.’ Alsof voor de anarchist Bakoenin – naar wie dat ‘bakoeninistische program’ verwijst – de barricadenstrijd niet alleen iets was dat hij bepleitte, maar bij herhaling zelf ook bedreef! Alsof anarchisten aan de algemene staking genoeg denken te hebben, en de noodzaak tot opstand daarbij verwaarlozen of over het hoofd zien! Verder zijn ook voor Luxemburg anarchisten voornamelijk storend of hooguit irrelevant voor de strijd. Ik beperk me tot nog een enkel citaat; “Het anarchisme is in de Russische revolutie niet de theorie van het strijdende proletariaat geworden, maar het ideologische uithangbord van het contrarevolutionaire lompenproletariaat, dat als een school haaien achter het slagschip van de revolutie wemelt, geworden. En daarmee heeft de loopbaan van het anarchisme een einde genomen.’ Ze moest eens weten.

Wat verklaart deze vijandigheid? Ik vermoed dat interne verhoudingen in de SPD een rol spelen. Ik vermoed dat ze bij voorbaat iedere schijn van geestverwantschap die met name van haar haar pleidooi voor spontaniteit en haar relativering van partijorganisatie, wilde weerspreken. Misschien voelde ze aan dat ze kans liep vanwege dit pleidooi ook in sociaaldemocratische kring voor anarchist te worden uitgemaakt. ‘Anarchisme’ is al sinds de tijd van Marx en Engels in marxistische kringen een polemisch scheldwoord geworden, en wat dat in de tijd van Luxemburg nog steeds. Misschien was ze ook gewoon onvoldoende op de hoogte van anarchistische opvattingen over staking en revolutionaire zelfverdediging. Dat anarchisten in de Revolutie van 1905 slechts een bescheiden rol speelden, klopt. Maar juist de spontaniteit van die strijd is meer in anarchistische dan in sociaaldemocratische geest, hoezeer Rosa Luxemburg die strijd ook aan een sociaaldemocratisch perspectief wil koppelen.

Massastakingen, spontane klassenstrijd van onderop: voor Rosa Luxemburg is het dus een belangrijk strategisch element van een aanpak die in essentie nog steeds sociaaldemocratisch is en partijmacht beoogt. Dat merk je ook aan het feit dat ze nergens in de tekst de rol bespreekt van dat nieuwe orgaan van proletarische zelforganisatie: de arbeidersraad oftewel sovjet. Op een enkele plek noemt ze weliswaar zo’n ‘Raad van Arbeidersafgevaardigden’. Maar ze ziet niet het belang ervan in, ze ziet niet dat deze sovjets in de revolutie feitelijk een tegenmacht tegenover de staatsmacht begonnen te vormen. Zelfs de Russische sociaaldemocraat Lenin kijkt hier verder, waar hij na aanvankelijke aarzeling de sovjets begint te zien als een revolutionaire regering-in-wording. Dat is ook niet een kant die anarchisten graag op willen, maar wel een erkenning van het feit dat sovjets – en niet vakbonden of welke partij dan ook – de bundeling van revolutionaire strijd van onderop belichaamden. Anarchisten zien dat dan natuurlijk liever als revolutionair zelfbestuur, en niet als nieuwe regering in de maak. Maar dat is weer een ander onderwerp.

Nu we zijn naam al genoemd hebben: Lenin en Luxemburg keken dus verschillend tegen die sovjets aan, maar hadden op wezenlijke punten ook zeer veel gemeen. Beiden waren het revolutionaire sociaaldemocraten. Voor beiden was de partij de voorhoede van de klassenstrijd die arbeiders hadden te voeren. Maar over hoe je zo’n partij organiseert, verschilden ze vaak stevig van mening.(3) Lenin wilde dat de strijd niet enkel via propaganda en agitatie geleid werd door een voorhoedepartij, maar ook organisatorisch. Rosa Luxemburg liet in haar strategie veel meer ruimte voor het initiatief van arbeiders zelf, dat ze vooral wilde sturen met propaganda en leuzen en dergelijke. Het verregaande centralisme dat Lenin bepleitte, wees ze af.

Overigens dienen we ook hier de verschillen niet te overdrijven. In haar polemiek met Lenin dichtte Luxemburg Lenin wel eens opvattingen toe die hij niet huldigde, wat Lenin van zijn kant dan haarfijn uiteenzette. Feit bleef dat, ook waar Lenin in zijn pleidooi het door hem voorgestane centralisme zag als handvat om spontane arbeidersstrijd mee te ondersteunen – en niet te verstikken – precies dat ultracentralisme tot een soort partij leidde die werkelijke spontaniteit in de strijd als vervelende uitdaging ging zien. Lenin mag dat zo niet hebben bedoeld , zijn methode leidde wel degelijk tot een bevoogding van de arbeidersklasse, met vanaf 7 november 1917 rechtstreeks fatale gevolgen. Rosa Luxemburg voelde dat al vroeg aan, en het feit dat ze Lenin niet altijd recht deed in de polemiek, verandert daar niets aan. Dat Lenin Rosa Luxemburg met groot respect bleef bejegenen, getuigde echter van hun uiteindelijke verbondenheid. Beide waren partijmarxisten. Mensen die Rosa Luxemburg neerzetten als een soort voorloper van het radencommunisme – dat latere sympathieke marxistische neefje van het anarchosyndicalisme – hebben het mis.

De jaren tussen 1905 en 1914 werd de afstand tussen Rosa Luxemburg en de SPD-leiding eerder groter dan kleiner. De SPD vereenzelvigde zich steeds meer met de staat die ze ooit hoopte te regeren. Pleidooien tegen oorlog en militarisme, en tegen het kolonialisme, klonken nog wel. Maar de scherpe kantjes gingen er af. Rosa Luxemburg polemiseerde tegen dit oprukkende opportunisme, maar raakte in een groeiend isolement. Ze weigerde echter de partij te verlaten, uit angst zich daarmee te isoleren van de massa der arbeiders die ook de verrechtsende SPD nog steeds als de hunne zagen. Haar vertrouwen in de spontane arbeidersstrijd speelde haar hier parten: hoe verrot een partij ook kon zijn, een uitbarsting van onderop zou de opportunisten in de leiding uiteindelijk wel opzij schuiven, zo dacht ze klaarblijkelijk. Dat de spontaniteit zelf ook instrumenten nodig heeft om zich ruimte te bevechten, miskende ze enigszins. Ze maakte hier eigenlijk de omgekeerde fout als Lenin, voor wie De Organisatie dit instrument werd. Een instrument dat echter zo centraal kwam te staan dat ze van middel veranderde in doel, waarvan het machtsstreven al het andere naar de achtergrond schoof.

Imperialisme en oorlog

Belangrijk in vooral deze periode is de analyse van het imperialisme waaraan ook Rosa Luxemburg zich in deze tijd waagde. Die mondde uit in haar boek ‘De accumulatie van kapitaal – een bijdrage aan een economische verklaring van het imperialisme’, uit 1913.(4) Ik ga aan die tekst geen recht doen, omdat ik er te weinig van begrijp. Het gaat echter om een onderdeel van een onder marxisten belangrijke discussie: was het imperialisme een kwestie van beleid van specifieke politici of zelfs groepen kapitalisten? Was het iets waar het systeem eventueel zonder kon? Of was het een verschijnsel dat inherent was aan de kapitalistische ontwikkeling zelf, en in die zin onmisbaar voor een stabiel en expanderend kapitalisme? Rosa Luxemburg dacht het tweede, net als om andere redenen de Russische marxisten Lenin en Boecharin. In haar eigen SPD was echter de neiging om imperialisme en oorlogsgevaar louter te zien van beperkte verkeerde politieke keuzes sterk. Dat zal haar extra hebben gemotiveerd om over dat imperialisme en de kapitalistische wortels ervan te schrijven.

Wat is haar punt?(5) Welnu, ze constateert dat het kapitalisme in zichzelf iets stabiels is: productie dekt consumptie, consumptie dekt consumptie. Ze verwijst hiervoor naar formules uit Marx’ werk Het Kapitaal Deel Twee. Daar gaat het om de circulatie van kapitaal. De formules schetsen een Departement 1 in de economie: de productie van productiegoederen (machines om spullen te maken); en een Departement 2: de productie van consumptiegoederen. De modellen gaan uit van evenwicht tussen beide sectoren, en Luxemburg ziet dat als wezenlijk. Maar als Departement 1 en 2 elkaar dekken, waar komt dan de accumulatie, het opeenhopen van kapitaal om te herinvesteren en te groeien, dan vandaan? Rosa Luxemburg zegt: uit die delen van de wereld waar het kapitalisme nog niet domineert. Het kapitalisme kan kapitaalsaccumulatie gaande houden zolang het zich goederen en markten in de nog-niet-kapitalistische wereld kan toe-eigenen. Het kapitalisme heeft dus koloniale overheersing en varianten daarvan nodig. Als heel de wereld helemaal kapitalistisch is, dan ontbreekt die niet-kapitalistische wereld die het kapitalisme nodig heeft, en dan loopt de boel vast.

Klopt dit? Het is een lopende discussie. Veel marxisten denken van niet, en voor zover dit een discussie binnen marxistische termen is, vermoed ik dat ze gelijk hebben. De fout die Luxemburg waarschijnlijk maakt is dat ze die modellen en formules uit Het Kapitaal deel II ziet als weergaven van de realiteit. Maar dat zijn het helemaal niet. Marx zet die formules en modellen neer om iets uit te leggen. Het zijn stukjes didactiek, weergaven van een hypothetisch evenwicht die hij nodig heeft om zijn betoog te verhelderen. Heeft het kapitalisme dan geen imperialisme nodig om te kunnen blijven expanderen? Hoogstwaarschijnlijk wel, maar niet om de reden die Luxemburg geeft. Is het kapitalisme dan innerlijk gedreven tot crisis? Ja, maar het wegvallen van een niet-kapitalistische sfeer om leeg te roven heeft daar dan ook weer niets mee te maken.

Rosa Luxemburg zat er dus analytisch naast in dit boek. Toch is het geschrift daarmee niet waardeloos. Het bevat naast een boel economische analyse ook een felle en beschrijvende aanklacht tegen het kolonialisme zelf, waarvan ze de ellendige gevolgen zich goed realiseert. En dat haar analyse over de oorlogsdreiging die in het kapitalisme besloten ligt niet klopt, neemt niet weg dat ze wel iets wezenlijks op het spoor was: oorlog, militarisme, imperialisme en kolonialisme zijn onverbrekelijk verbonden met het wezen van het kapitalisme.

Hoe onverbrekelijk, dat zou snel blijken. In 1914 volgde er een gruwelijke ontknoping van de oplopende spanning tussen grote imperialistische mogendheden. Eerst een moord in Sarajevo op de Oostenrijkse troonopvolger. Daarna een ultimatum van Oostenrijk aan Servië, dat de schuld kreeg van de moord. Duitsland ondersteunde de Oostenrijkse houding, Rusland ondersteunde de weigering van Servië om aan het ultimatum toe te geven. Frankrijk steunde Rusland, Engeland steunde Frankrijk, en toen Duitsland België binnenviel om van daaruit Frankrijk aan te vallen, was het oorlog. De SPD legde een reeks verklaringen tegen de oorlog af toen de crisis op gang kwam,. Er waren zelfs protestdemonstraties. Maar toen er gestemd werd over een oorlogslening, stemde ook de SPD-fractie unaniem daar voor. De partij die altijd had beloofd zich tegen de oorlog te keren uit naam van de internationale solidariteit, deed nu het tegenovergestelde. Ze steunde de oorlog, ze steunde de regering en daarmee ook de kapitalisten achter die regering. Arbeiders kregen van ‘hun eigen’ partij te horten dat sterven voor het vaderland een goede zaak was omdat het hier ene verdedigingsoorlog betrof. Franse arbeiders deden hetzelfde op instigatie van Franse sociaaldemocraten. Zo bloedde het internationalisme van de sociaaldemocratische arbeidersbeweging leeg in de loopgraven.

Rosa Luxemburg was geschokt maar niet helemaal verbaasd: ze had immers al jaren de partij af zien glijden naar het politieke midden, met het verwaarlozen van internationalistische en antimilitaristische principes als verontrustend symptoom. Ze begon contact te leggen met mogelijke geestverwanten in haar radicale internationalisme. Een van die geestverwanten was Karl Liebknecht, SPD-parlementslid dat eind 1914 de moed vond om openlijk tegen oorlogskredieten te stemmen. Later hield hij ene toespraak voor protesterende arbeiders, die begon met: ‘Weg met de oorlog! Weg met de regering!’ Dat was meteen het einde van de toespraak, want hij werd gearresteerd.

De geestverwanten van Luxemburg vormden zich om tot een revolutionaire groep, de Spartakusbond. Maar nog steeds weigerde Luxemburg te breken met de SPD. Nog steeds domineerde de angst voor sektarisme, voor isolement. Zelfs in 1917 speelde dat nog: toen een flink deel van de SPD de oorlog inmiddels goed zat was, buiten de partij belandde en vervolgens de USPD vormde, was Rosa niet blij met de scheiding. Maar haar Spartakusbond werd wel een onderdeel van die USPD. Rosa Luxemburg bleef actief tegen de oorlogspolitiek en tegen het imperialisme dat daaraan ten grondslag lag. Ze zette haar revolutionaire opvattingen over imperialisme, oorlog en de sociaaldemocratische capitulatie en medeplichtigheid uiteen in een prachtige brochure: ‘De crisis van de sociaaldemocratie’. Omdat ze zich bediende van het pseudoniem Junius, kwam de tekst bekend te staan als het Junius-pamflet.(6) Het is een van de mooiste teksten die het revolutionair marxisme heeft opgeleverd. De tekortkomingen ervan zijn aan dat marxisme toe te rekenen, niet aan Rosa Luxemburg die er het uit haalt wat er uit te halen is.

Ik ga de tekst niet analyseren. Een enkel citaat mag staan voor de geest die uit de brochure spreekt: ‘De overwinning van het socialisme zal niet als een fatum uit de hemel neerdalen. Hij zal slechts door een lange reeks van geweldige krachtproeven tussen de oude en de nieuwe machten bevochten worden, krachtproeven, waarin het internationale proletariaat onder leiding van de sociaaldemocratie leert en probeert zijn lot in eigen hand te nemen, het roer van de maatschappelijke leven te bemachtigen, uit een willoze speelbal van de eigen geschiedenis tot haar bestuurder te worden. Friedrich Engels zei eens: De burgerlijke maatschappij staat voor een dilemma, hetzij overgang naar het socialisme, of terugvallen naar het barbarisme.’ Socialisme of barbarij: aan deze keus blijft de naam van Rosa Luxemburg verbonden.

De Junius-brochure is extra indrukwekkend als je je realiseert dat de tekst in de gevangenis is geschreven. Daar was ze snel na het uitbreken van de oorlog door de Duitse staat weggestopt, maar dat was niet genoeg om haar stem tot zwijgen te brengen. Niet alleen kwam vanuit de cel die prachtbrochure, ze schreef ook brieven, die na haar dood ook zijn gepubliceerd. Daaruit komt een vrouw naar voren die door de politieke strijd ten diepste was bewogen, maar tegelijk ook had voor het leven zelf waarvoor de strijd ruimte hoort te banen. Juist dit maakte haar groots als mens. Hele bijzonder is het oog voor de natuur, voor dieren en bloemen, dat ze in de brieven ten toon spreidde. Voor haar zijn vogels klaarblijkelijk geen ondergeschikte wezens. Het recentelijk gevormde woord ‘anti-speciesisme’ zal haar niets hebben gezegd. Maar haar ziel was ontvankelijk voor de natuur, voor planten en dieren. Nergens blijkt uit dat ze vindt dat ‘de mens’ op een of andere manier ‘hoger’ zou staan dan andere dieren. Het is een opmerkelijke eigenschap van Rosa Luxemburg, en iets dat je bij weinig marxisten – en in die tijd trouwens ook niet bij heel veel anarchisten – tegenkomt.

Russische Revolutie

Tijdens haar gevangenschap schreef ze nog een belangwekkend geschrift: ‘De Russische revolutie’.(7) Daarin analyseerde ze de problemen waar het via revolutie in 1917 tot stand gekomen Bolsjewistische bewind van Lenin en Trotski voor stond. Ze prees daarin nadrukkelijk de Bolsjewieken: zij hadden het toch maar aangedurfd, de sprong gewaagd, de revolutie naar de overwinning gevoerd, gedaan wat sociaaldemocraten in West-Europa hadden nagelaten. Daarmee was ‘tevens de eer van het internationale socialisme gered’. Maar de Bolsjewieken stonden voor enorme problemen. Die kwamen in alle scherpte naar voren omdat de revolutie alleen stond, terwijl Trotski, Lenin, en ook Rosa Luxemburg zelf, wisten dat het lot van de revolutie in een enkel land bezegeld was als ze niet ondersteund werd door revoluties elders. Kapitalisme was een wereldsysteem, uiteindelijk was er een wereldrevolutie nodig. Die was er nog niet, dus moesten de Bolsjewieken allerlei kunstgrepen uithalen om zich staande te houden tegenover een vijandige buitenwereld en tegen contrarevolutie in het land zelf.

Dat is de context waarin ze vervolgens toch ernstige kritiek levert op de Bolsjewistische koers. Dat deed ze vanuit solidariteit, en om ervan te leren: ‘Wanneer men kritisch oordeelt over de Russische Revolutie in haar historisch verband, vormt dat de beste scholing van de Duitse én de internationale arbeidersklasse voor de taken die de momentele situatie stelt.’ De kritiek gaat deels in een richting waar anarchisten wat mee kunnen. Een deel ervan is eerder liberaal. Nog een ander deel is echter eerder een uiting van precies die kanten in het marxisme waar we in een werkelijk revolutionaire praktijk meer last dan gemak van hebben.

Het eerste punt dat Luxemburg aansnijdt is de politiek van de Bolsjewieken jegens de boeren, oftewel de overgrote meerderheid van de bevolking. Marxistisch gezien was het zaak om het grootgrondbezit uit handen van de landheren te trekken en onder te brengen in vormen van collectieve, gesocialiseerde landbouw. Het minste was wel: voorbereidingen treffen, stappen in die richting. Wat deden echter de Bolsjewieken? ‘Het parool dat de bolsjewieken gelanceerd hebben: onmiddellijke inbezitneming en verdeling van de boeren, moest echter precies in tegengestelde richting werken. Het is niet alleen geen socialistische maatregelen, maar maakt een dergelijke maatregel tevens onmogelijk en legt de omvorming van de agrarische verhoudingen in socialistische zin onoverkomelijke moeilijkheden in de weg.’ Dat was om meerdere redenen gene erg gelukkige kritiek.

Allereerst waren het niet de Bolsjewieken die het initiatief genomen hadden tot het verdelen van het land van de grootgrondbezitters. Het waren de boeren zelf, en dat was al maanden begonnen voordat de Bolsjewieken de macht hadden veroverd. Als de Bolsjewieken die landverdeling-van-onderop niet uit volle borst hadden ondersteund en onderschreven, hadden ze de macht hetzij niet veroverd, hetzij snel weer verloren als gevolg van boerenopstanden. De verdeling van grond na de landheren te hebben verdreven (minstens), dat was de revolutie zelf op het platteland. Dat afremmen of tegenwerken, was rechtstreeks contrarevolutionair, ook als dat was gebeurd uit naam van collectief grondbezit dat van staatswege werd gestimuleerd uit naam van De Revolutie. De Hongaarse revolutionair Bela Kun probeerde tijdens de Hongaarse Radenrepubliek van 1919 zoiets. Boeren zagen vervolgens geen wezenlijk verschil tussen het grootgrondbezit dat ze kenden en het grootgrondbezit dat de door Kun geleide Communistische regering doorvoerde. Steun vanuit deze boeren in de strijd tegen de contrarevolutie was dan ook niet te verwachten, en Bela Kuns bewind ging tamelijk roemloos ten onder. Het hele avontuur duurde slechts enkele tragische maanden.

Er is nog wat fundamentelers mis met deze kritiek. Lenin accepteerde de landverdeling, uit machtspolitieke overweging en slechts tijdelijk. Rosa Luxemburg vond het onverstandig. Beiden hadden echter hun afwijzing van de ambities van de boeren gemeen. Het is een afwijzing die diep wortelt in de hele marxistische traditie, en daarvan een van de meest onaangename facetten is. Voor zowel Lenin als voor Luxemburg – alsook voor Marx, voor Engels, voor Trotski en ga zo maar door – waren boeren allereerst kleine bezitters, of aspirant-kleine bezitters. Dat de boeren in de Russische Revolutie het land niet alleen verdeelden, maar maar dat beslissingen genomen weren in collectief dorpsverband, dat boeren onderlinge solidariteit vertoonden, dat ze niet zomaar weggezet kunnen worden als kleinburgelijk-individualistische reactionaire klasse – voor Rosa Luxemburg zowel als Lenin bleef dat alles een gesloten boek. Had Rosa Luxemburg haar zin gekregen, dan was er in 1918 al iets op gang gekomen dat leek op wat Stalin in 1929 ging doen. Niet omdat ze repressief dacht, maar omdat dit de logische uitkomst is van een houding waarin je revolutionairen vertelt dat boeren een potentieel vijandige klasse vormen, en daarop je beleid baseert. Lenin deelde die houding. Hij was alleen tactisch veel behendiger en geduldiger. Hij zag natuurlijk ook van dichtbij wat Rosa Luxemburg vanuit haar cel in Duitsland niet zo goed kon waarnemen.

Een volgend kritiekpunt was het recht van onderdrukte volkeren op afscheiding, het fameuze ‘recht der naties op zelfbeschikking’. De Bolsjewieken erkenden dit. Luxemburg vond het gevaarlijke onzin. Juist burgerlijke krachten maakten immers van dat recht gebruik om zich van het Russische rijk af te scheiden nu dat in handen van die verdomde Bolsjewieken was gevallen. Waarom zou je de contrarevolutie aanmoedigen door ze die leus over zelfbeschikking in handen te geven? Alweer was Lenin hier de meer behendige politicus, maar hij had inhoudelijk ook echt een punt – dat hij in de praktijk snel verwaarloosde. Hij zag heel goed dat in het Russische Rijk veel mensen zich onderdrukt wisten vanwege hun nationaliteit. Door het verzet tegen die onderdrukking te erkennen als rechtmatig maakte hij duidelijk dat de Bolsjewieken niet in de voetsporen van de tsaar wilden treden en diens onderdrukkingspolitiek werkelijk wilden loslaten. De hoop was dat dit zoveel goodwill zou optreden onder onderdrukte bevolkingsgroepen, dat die er vrijwillig voor zouden kiezen om deel uit de maken van de sovjet-staat in opbouw. Recht op afscheiding dus, in de hoop dat daarmee daadwerkelijke afscheiding voorkomen kon worden. Rosa Luxemburg stelde dat het aanmoedigen van die nationale zelfbeschikking juist eenheid tussen arbeiders zou ondermijnen en contrarevolutionaire krachten in de kaart zou spelen.

Wie hier meer gelijk had, Lenin of Luxemburg, laat ik hier even liggen. Punt is dat de discussie zelf verdween onder bajonetten en machtsstrijd. Lenins Bolsjewieken erkenden hier en daar weliswaar afscheiding, maar eigenlijk alleen omdat het Rode Leger en de veiligheidsdienst Tsjeka niet overal tegelijk konden zijn. Waar ze konden, behielden ze zo veel mogelijk van het Russische Rijk. Hooguit hielpen ze plaatselijke Bolsjewieken de macht te organiseren in een min of meer zelfstandige sovjetstructuur en bijbehorende Communistische partij. Dat de echte bazen in het Kremlin woonden, en niet in Bakoe, Kiev of Samarkand, was echter glashelder. Lenin pleitte voor tact in de omgang mat de diverse nationaliteiten. Een echte erkenning van het recht op zelfbeschikking is iets anders. Maar ook hier geldt wat we al zagen bij de politiek jegens de boeren. Voor zover de Bolsjewistische regering een beetje meeging met de zelfbeschikking, was dat vanwege machtsbehoud. Hadden ze dat niet gedaan, dan hadden ze meteen al nog meer weerstand onder vooral de niet-Russische bevolking opgeroepen dan ze toch al deden. Rosa Luxemburg vond zelfbeschikking riskant voor de positie van de Bolsjewistische regering. Lenin vond het negeren ervan riskant, om dezelfde reden. Gemeenschappelijk punt: beiden zien de macht van die regering zelf als groot goed. Alsof Bolsjewistische regeringsmacht identiek is aan revolutionair resultaat.

Daarmee komen we aan een derde kritiekpunt. Rosa Luxemburg houdt een vurig pleidooi tegen de repressie waartoe de Bolsjewistische regering in 1918 al volop was overgegaan. Dat ontspoort weliswaar in een discussie over het ontbinden van de Grondwetgevende Vergadering. Zij betreurt dat: je gaat toch niet een democratisch gekozen parlementair lichaam ontbinden nadat het net is gekozen zonder dan tenminste nieuwe verkiezingen ervoor uit te schrijven? Ze miskent daar een beetje dat er goede redenen zijn vanuit revolutionair gezichtspunt om zoiets te doen. De Grondwetgevende Vergadering was gekozen in een eenmalige verkiezing. Intussen hadden echter, formeel althans, sovjets en congressen van sovjets de macht gegrepen. Dat waren organen waarvan de leden niet enkel waren gekozen vanuit fabriek, wijk of dorp, maar vanuit die plekken ook teruggeroepen konden worden, en via herverkiezing ook vervangen. Niet eens per vier jaar maar desnoods elke dag opnieuw.

Dat sovjetstelsel vormde dus een veel rechtstreekser vorm van democratie dan het parlementaire stelsel waarvan de grondwetgevende vergadering een voorbeeld was. Je kunt in die sovjets zelfs een stuk staatloos zelfbestuur-in-wording zien. In de praktijk van Rusland bleek dat laatste te veel eer: ook de sovjets en vooral hun uitvoerende comités regeerden, goedschiks dan wel kwaadschiks. Verder ontsnapte ook zonder Bolsjewistische manipulatie de macht in het Russische sovjetsysteem al heel makkelijk aan de rechtstreekse greep van arbeiders, boeren en soldaten. Van de vergaderingen in fabriek, wijk, dorp of kazerne verschoof de macht al gauw naar de gekozen sovjetleden, van hen naar de hogere sovjetcongressen die vanuit de sovjets per stad en regio werden gekozen, van de sovjets en sovjetcongressen naar de uitvoerende comités van sovjet en sovjetcongres. Overkoepelend was een Al-Russisch sovjetcongres, met daaruit ook weer een uitvoerend comité. Voor de zekerheid zette Lenin daarboven ook nog maar een heuse Raad van Volkscommissarissen, wat natuurlijk een doodgewonde ministerraad was onder een andere naam. Bolsjewistische meerderheden, soms echt, later steeds vaker gemanipuleerd, zorgden dat de sovjets het spel speelden langs Bolsjewistische richtlijnen. Tot zover het ‘zelfbestuur’.

Maar ook als de sovjets door de Bolsjewieken niet tot verlengstuk van hun eigen macht waren gemanipuleerd, dan nog past terughoudendheid. Anarchie is voor mij nog wel iets meer dan radendemocratie. Daarover wordt in anarchistische kringen overigens uiteenlopend gedacht. Hoe dan ook: er was geen goede reden om deze sovjetdemocratie te combineren met een achterhaalde parlementaire vergadering. Wat heb je aan een parlement dat je eens per vier jaar kiest als je dagelijks je raad kunt kiezen, op het matje roepen en vervangen?

Lenin maakte dit punt door de sovjets een ‘hogere democratie’, een ‘proletarische democratie’ te noemen waarvoor de ‘burgerlijke democratie’ uiteindelijk moest wijken. Hij ondergroef de geloofwaardigheid van zijn punt nogal toen zijn regering sovjets bleek te ontbinden als ze bij herverkiezing hun Bolsjewistische meerderheid dreigden te verliezen. Hij maakte van zijn pleidooi voor ‘proletarische democratie’ nogal een aanfluiting door duidelijk te maken dat sovjets zonder zo’n meerderheid wat hem betreft niet te vertrouwen waren. Het was alweer net als met de boeren en de zelfbeschikkingskwestie: hoe Lenin met de sovjets omging was geen principiële kwestie, maar bleek al gauw een kwestie van macht. Die hadden de Bolsjewieken veroverd op een moment dat sovjets inderdaad Bolsjewistische meerderheden opleverden. Waar die meerderheid verdween, kreeg Bolsjewistische macht voorrang boven de sovjets. Hier zie je stapsgewijs de revolutie de nek omgedraaid worden door precies de partij die de revolutie in 1917 had aangevoerd.

Vanuit anarchistisch oogpunt was Lenins pleidooi voor de proletarische sovjetdemocratie alleen zinnig als hij het had gemeend en de sovjets hun autonome rol en macht had gelaten. Dat deed hij overduidelijk niet. Voor de grondwetgevende vergadering hadden anarchisten echter weinig liefde. Het regiment dat uiteindelijk die vergadering ontbond werd, heel symbolisch, aangevoerd door een anarchist. Met het betoog van Luxemburg ter verdediging van deze Grondwetgevende Vergadering die allang door de revolutie – en tegelijk door Lenins contrarevolutie-in-wording! – was ingehaald, kan ik verder niet zo veel. Het doet enigszins liberaal aan.

Veel overtuigender was Luxemburgs vrijheidslievende betoog tegen repressie en censuur in het algemeen. Ze wees erop dat op deze manier juist datgene wat een revolutie kracht geeft – het initiatief van onderop, van arbeiders zelf – ondermijnd wordt en kapot gaat. Een uitgebreid citaat. ‘Lenin en Trotski hebben in plaats van de gekozen vertegenwoordigende lichamen de sovjets aangewezen als enige ware vertegenwoordigers van de werkende massa’s. Als echter het politieke leven in het gehele land wordt onderdrukt, zal ook het leven in de sovjets onvermijdelijk steeds meer verkommeren. Zonder algemene verkiezingen, ongehinderde vrijheid van drukpers en vergadering, zonder een vrije strijd van opinies kwijnt het leven in elke openbare instelling weg, wordt het een schijnleven, waarin alleen de bureaucratie het actieve element vormt. Het openbare leven dut langzaam in, enkele tientallen partijleiders met een onuitputtelijke energie en een grenzeloos idealisme dirigeren en regeren, de eigenlijke leiding is in handen van een tiental knappe koppen onder hen, en een elite uit de arbeidersklasse wordt van tijd tot tijd opgeroepen tot het bijwonen van vergaderingen, om te applaudisseren voor de redevoeringen van de leiders, om unaniem in te stemmen met voorgelegde resoluties, in wezen dus een regerende kliek – wel een dictatuur, maar niet de dictatuur van het proletariaat – de dictatuur van een handjevol politici, dat wil zeggen: dictatuur in de zuiver burgerlijke betekenis, in de zin van de heerschappij der jacobijnen (het verschuiven van de sovjetcongresen van drie naar zes maanden!) En meer nog: dergelijke toestanden hebben altijd een verwildering van het openbare leven tot gevolg: aanslagen, het executeren van gijzelaars, enzovoorts. Dit is een zeer machtige, objectieve wet, waaraan geen partij zich kan onttrekken.’

Dit is een scherpe analyse, eentje waar ook anarchisten zich in aanzienlijke mate wel kunnen vinden, al blijf ik het woord ‘dictatuur’ voor de door haar beoogde ‘toepassing van de democratie, niet de afschaffing ervan, door middel van een energieke, vastberaden ingreep in de verworven rechten en economische verhoudingen van de burgerlijke maatschappij’ riskant vinden. Dat ze erbij zegt dat deze ‘dictatuur’ uitgeoefend dient te worden door een klasse, en niet door een kleine minderheid namens die klasse’ – is niet helemaal geruststellend. Zulke woorden zijn bij Lenin en Trotski ook wel te vinden, en garanderen weinig tot niets. De woorden weerhielden hen er niet van om als ware dictators te besturen als ze dachten dat de bolsjewistische macht – voor hen hetzelfde als de revolutie – op andere wijze niet gered kon worden. Het is alsof dat woord ‘dictatuur’ toch praktijken aannemelijk maakt die je als revolutionair gewoon niet moet willen. Ik zou de gelijkstelling van socialistische democratie met dictatuur van het proletariaat liever helemaal loslaten, en socialisme definiëren als zelfbestuur zonder staat. Luxemburg gaat een eind in die richting, maar blijft de staatsmacht als bruikbaar instrument zien. Hoe vrijheidslievend ze intussen wel degelijk is, blijkt uit haar overbekende woorden: ‘Vrijheid alleen voor aanhangers van de regering, alleen voor de leden van een partij – al zijn ze nog zo talrijk – is geen vrijheid. Vrijheid is altijd de vrijheid van andersdenkenden.’

Duitse Revolutie

Daarmee verlaten we de Russische revolutie, zowel de tekst van Luxemburg als de historische episode, en keren we terug naar Rosa Luxemburg zelf. Zij zat dus opgesloten. Toen ze vrij kwam – in november 1918, terwijl het bewind van het Duitse Keizerrijk ineenstortte onder de druk van de intussen uitgebroken Duitse Revolutie – stortte ze zich meteen in de strijd. Karakteristiek voor haar mensenliefde was dat ze zich bijna meteen keerde tegen de doodstraf, en zich uitsprak voor een menselijke behandeling van gevangenen. Ze sloot een pleidooi in die zin af met: ‘In de vier jaar van imperialistische massamoord heeft het bloed in stromen gevloeid. Nu moet elke druppel van dat kostbare vocht bewaard worden, met eerbied, in kristallen vaten. Ontketende revolutionaire energie en ruimhartige humaniteit – deze alleen zijn de adem en het leven van het Socialisme. Er moet een wereld omver worden geworpen; maar elke traan die nodeloos wordt vergoten is een verwijt; hij die, gehaast onderweg naar belangrijke verplichtingen, wegens grove onoplettendheid een arme worm verplettert, begaat een misdaad.’(8) Dat is de levensliefde van Rosa Luxemburg ten voeten uit.

Intussen was daar dus de ook door Rosa Luxemburg zo nagestreefde Duitse revolutie!(9) In Kiel hadden matrozen gemuit na een opdracht van het opperbevel om uit te varen voor een zeeslag die extra zinloos was omdat intussen de regering al onderhandelingen met de Entente-tegenstanders had aangeboden. De muiterij leidde al snel tot algehele revolte, tot de oprichting van arbeiders- en soldatenraden in het ene deel van het land na het andere. De Keizer verdween door de zijdeur, er kwam een sociaaldemocratische regering onder SPD-leider Ebert, met als oorlogsminister Gustav Noske. Die ging meteen naar Kiel, hield een toespraak en herstelde de ‘orde’. Hij en Ebert benutten zeer behendig de loyaliteit die arbeiders jegens ‘hun’ SPD voelden om daarmee de rem op de revolutie te zetten. Waarom verder strijd voren als hun kameraden nu regeerden? Die ‘kameraden’ benutten die regeringsmacht om zo min mogelijk te veranderen, de staat zo veel mogelijk intact te houden en daartoe zelfs militaire middelen niet te schuwen. Al snel stuurden sociaaldemocratische ministers soldaten af om raden van sociaaldemocratische arbeiders het leven zuur te maken en erger. Na het sociaaldemocratisch verraad dat arbeiders de oorlog in gestuurd had, kwam nu nog een sociaaldemocratisch verraad tegenover arbeiders die een revolutie probeerden te maken.

Dat Rosa Luxemburg zich in het strijdgewoel zou storten lag voor de hand, maar hoe? Er waren intussen diverse groepjes revolutionaire marxisten buiten de SPD terecht gekomen. Dat die zich op een of andere manier zouden aaneensluiten, lag voor de hand, zeker met het voorbeeld van de Russische revolutionaire sociaaldemocraten die zich Bolsjewieken noemden, een stevige partij hadden opgebouwd, en de revolutie die daar in 1917 was uitgebroken als springplank hadden benut voor hun machtsgreep in de Oktoberrevolutie. Er was dus een soort voorbeeld. Dat zal de aandrang om in Duitsland ook een Communistische Partij te vormen, hebben vergroot: het leek in Rusland immers te werken. Rosa Luxemburg had aanzienlijke reserves en wilde met name geen overhaaste vorming ervan. Maar ze ging wel mee toen het in de laatste dagen tot de oprichting van zo’n partij kwam: de Communistische Partij van Duitsland (Spartacisten).

Het was een vrij kleine groep, met onervaren, veelal jonge mensen. Vele strijdbaarheid, veel impulsiviteit, ook veel moed, en natuurlijk was ook Karl Liebknecht weer van de partij. Maar een groep ervaren radicale vakbondsorganisatoren die een flink netwerk hadden en een forse rol bij de revolutie hadden gespeeld, bleef buiten boord. Ze zagen veel radicalisme, maar te weinig tact. Daarmee bleef de partij veel smaller en zwakker dan ze had kunnen zijn. De impact van de KPD – ‘de Spartacisten’ – bleef dan ook erg beperkt. Of we dat, gezien de uitkomst in Rusland, heel erg moeten betreuren, is overigens maar zeer de vraag.

Rosa Luxemburg richtte zich intussen niet zozeer op organisatorische partijzaken. Ze schreef vooral in de Spartacistische krant Die Rote Fahne, onder meer over ‘Wat de Spartacisten willen’, feitelijk een ontwerp-programma.(10) Dat was best radicaal trouwens. Zo deed ze een pleidooi voor de ontwapening van de complete politie, de afschaffing van de militaire discipline en voor het kiezen van officieren door de soldaten, onteigening van grootgrondbezit, banken en dergelijke, en vorming van raden in de bedrijven. De hoogste macht diende volgens het programma te berusten bij de arbeiders- en soldatenraden, feitelijk wat in Rusland de sovjets heette. Van een rol voor een parlementair orgaan – iets waar Rosa Luxemburg in haar tekst over de Russische Revolutie nog wat in zag – is in dit programma geen sprake meer. De staat heeft in haar concept nu de vorm van een radenstelsel. Het is zeer verwant aan hoe Lenin in 1917 de postrevolutionaire macht voor zich zag: ‘Alle Macht aan de Sovjets’ heette het daar.

Hoe daarin de rol van de partij zou zijn, bleef onduidelijk – totdat de praktijk duidelijkheid verschaffen, maar zover kwam het alleen in Rusland. Dat de partij ook bij Rosa Luxemburg een rol blijft spelen, onderscheidt haar nadrukkelijk van de latere radencommunisten die het partij-idee volledig overboord zetten en volledig inzetten op de spontane vorming van arbeidersraden die de volledige maatschappelijke macht aan zich zouden trekken in een proletarische revolutie. Luxemburg blijft echter raden en partij combineren, net als Lenin, maar met andere accenten.

Artikel na artikel belichtte ze in haar laatste weken de voortgang van de revolutie, de rol van de inmiddels sociaaldemocratische regering en hoe die bezig was de arbeidersraden terug te dringen, de vraag hoe de strijd naast politiek ook economisch kon worden. Het zijn die artikelen die op de directe gang van zaken weinig invloed hadden, maar voor het begrip van de strijd wel erg belangrijk. En ook hier bleef haar inzet wat het haar hele politieke leven al was: de bevrijdingsstrijd van de arbeiders door de strijd van die arbeiders zelf. Die inzet kostte haar het leven.

Dat gebeurde als volgt. In Berlijn zat een politiechef, een zekere Eichhorn. Die was, opvallend genoeg, op de hand van de revolutie. De regering – sociaaldemocraten dus, van het orde-en-gezag-type, Femke Halsema zou er zich thuis hebben gevoeld – vond het wel een goed idee om die man van zijn post te ontheffen. Bijkomend voordeel: dan zou het revolutionaire deel van de arbeiders wel eens opstandig kunnen worden, en dat was een mooie excuus om met die revolutionairen af te rekenen. Het was dus een provocatie. Revolutionairen trapten er met open ogen in. En ook Rosa Luxemburg liet zich meeslepen.

Eerst kwam er een immense arbeidersdemonstratie uit protest. Dat was zinnig. Groepen arbeiders bezetten her en der een overheidsgebouw in de buurt. Ook geen ramp. Maar intussen vormde zich een revolutionair comité uit mensen van de Communistische Partij en allerlei anderen, waaronder ook de al genoemde vakbondsradicalen. Het comité telde 52 leden, en het vergaderde om tot een initiatief te komen. Het kwam niet tot een initiatief, uur na uur na uur. Intussen wachtten de boze demonstrerende arbeiders op nadere instructies. Ze wachtten tevergeefs, de hele dag. Ze kwamen de volgende dag zelfs nog terug. En dat revolutionaire comité maar vergaderen intussen.

Hier zag je het tragisch samengaan van twee verschijnselen. Aan de ene kant het volstrekte gebrek aan slagvaardigheid onder georganiseerde revolutionairen. Dat is waar mensen in de Leninistische traditie graag op wijzen: Er Was Geen Partij, althans geen partij die de klassenvijand effectief partij kon geven. Dat er misschien andere vormen van organisatie en slagvaardigheid zouden kunnen zijn dan de partijvorm, die les is aan de gemiddelde Leninist helaas niet besteed.

Maar er was een ander verschijnsel: er was ook geen arbeidersbeweging die zelfstandig, op eigen initiatief, de zaken naar haar hand kon zetten. Die wachtende arbeiders op de demonstratie: wat een treurig symptoom van passiviteit en verwording! Altijd hadden ze geleerd om naar hun leiding te kijken, om loyaal te zijn aan partijbestuurders, vakbondsfunctionarissen of welke vorm het Hoofdkwartier maar mocht aannemen. Ze stemden op instructie, ze staakten op instructie, ze staakten de staking zo nodig ook op instructie. Nu gaf het Hoofdkwartier niet thuis. Van enig idee om het dan maar zonder hoofdkwartier was in de menigte klaarblijkelijk weinig te bespeuren. Ook de spontaniteit waar Rosa Luxemburg vaak zo op vertrouwde, liet het afweten. Ook eigen initiatief vergt immers oefening, en eigen initiatief was arbeiders grotendeels afgeleerd door hun ‘eigen’ vakbond en sociaaldemocratische partij.

Uiteindelijk kwam er uit het revolutionaire comité toch geluid: de regering van Ebert werd omvergeworpen verklaard! Anders gezegd, wat begon als protest tegen het ontslag van Eichhorn, werd nu omgezet in een strijd om de regeringsmacht. Het was een strijd waarop de revolutionaire beweging totaal niet was voorbereid. Her en der werden nog wat pogingen gedaan om aan de omverwerping van die regering bij te dragen. Maar de regering nam het zekere voor het onzekere en sloeg keihard toe. Die regering was intussen volop bezig om troepen samen te trekken. De dagen erop trokken die troepen de arbeiderswijken van Berlijn door, en richtten een contrarevolutionair bloedspoor aan. Veel van de soldaten waren uiterst rechtse vrijwilligers, feitelijk proto-nazi’s.

Rosa Luxemburg was in deze gebeurtenissen niet rechtstreeks betrokken, maar Karl Liebknecht wel. Die zat in dat fatale revolutionaire schertscomité. Toen de opstand was neergeslagen, beschreef ze de tegenslag in prachtige bewoordingen in haar artikel ‘Orde heerst in Berlijn’. Ze gaf aan dat de revolutie weliswaar een slag had gewonnen, maar zeker niet de oorlog. De slotwoorden daarvan zijn overbekend: ‘ “Orde heerst in Berlijn!” Gij stompzinnige beulsknechten! Uw “Orde” is op drijfzand gebouwd. De revolutie zal zich reeds morgen “met luide galm verheffen” en tot Uw schrik onder bazuingeschal verkondigen: “Ik was, ik ben ik zal zijn!”’(11)

Rechtse soldaten, van regeringswege aangemoedigd, hadden ondertussen een klopjacht tegen alles wat Spartacistisch was of leek geopend. Op 15 januari pakte een peloton militairen Karl Liebknecht en Rosa Luxemburg op. Liebknecht werd het eerst vermoord, Luxemburg erna. Haar moordenaars gooiden haar lijk in de gracht. De Duitse revolutie was daarmee geenszins verslagen. Maar de revolutionaire beweging was wel een buitengewoon belangrijk kopstuk armer geworden.

Ter afsluiting

Rosa Luxemburg was een grootse revolutionaire vrouw. Waarin lag haar grootheid? Niet in haar theoretische inzichten als marxist. Haar marxisme was degelijk, maar ook tamelijk orthodox. Precies daar zat juist een beperking. Net als de hoofdstroming in haar SPD en in de Tweede Internationale waar die deel van uitmaakte, kenmerkte ook Luxemburgs theoretische inzicht zich door nogal wat onvermijdelijkheden en wetmatigheden, alsof de geschiedenis haar scenario’s al geschreven heeft en revolutionaire die scenario’s alleen maar nauwkeurig en vol overtuiging ten uitvoer hoeven te brengen. Een relativering is hier echter wel op zijn plek. Wat onvermijdelijk is bij Luxemburg is niet het socialisme als zodanig, maar de op de spits gedreven keus tussen dat socialisme en de escalerende kapitalistische verschrikkingen die zij aanduidt als barbarij.

In haar marxisme was een grote aandacht voor spontane, niet vanuit bestuurders verordonneerde arbeidersstrijd. Maar die spontane strijd was uiteindelijk een ingrediënt van een strategie waarin de e revolutionaire partij en uiteindelijk de verovering van de staatsmacht kernpunten waren en bl;even. Ze legde de accenten flink anders dan Lenin en Kautsky dat deden. Maar uiteindelijk hanteerde ze hetzelfde theoretische kader, en dat kader is wat mij betreft onbevredigend.

Maar Rosa Luxemburg is meer dan een competent marxist. Ze was ook en vooral nog eens een revolutionair van formaat. Haar vertrouwen in arbeiders, in hun zelfstandige kracht om de wereld ten goede te veranderen; haar medemenselijkheid, haar oog ook voor de waarde van niet-menselijk leven; haar moed als revolutionair in tijden waarin contrarevolutie en oorlog hun brute gezicht vertoonden, haar onverschrokkenheid als vrouw in een door mannen gedomineerde wereld en een arbeidersbeweging die eveneens een mannenbolwerk was; haar onverzettelijke vrijheidsliefde: dat alles maakt haar groots. We hoeven als anarchist niet mee te gaan in haar theoretische marxistische denkkader – liever niet, zelfs! – om toch te erkennen dat we in Luxemburg een indrukwekkend medestandster vinden in de wereldwijde arbeidersstrijd om vrijheid en solidariteit.

Opmerking: het woord ‘sociaaldemocraat’ heeft in de tijd waarover dit artikel voornamelijk gaat nog niet de huidige betekenis. Revolutionair marxisten als Lenin en Luxemburg zagen zichzelf als sociaaldemocraten; sociaaldemocratie was de naam die aan het in partijverband georganiseerde, marxistisch geïnspireerde arbeidersbeweging werd gegeven.

Noten

1. Rosa Luxemburg, ‘Reform or Revolution’, oorspronkelijk verschenen in 1900, te vinden via https://www.marxists.org/archive/luxemburg/1900/reform-revolution/index.htm Gedeeltelijke Nederlandstalige tekst te vinden als ‘Sociale hervorming of revolutie’, via: https://www.marxists.org/nederlands/luxemburg/1900/1900reformisme.htm

2 Rosa Luxemburg, ‘Massastaking, partij en vakbonden’, 1906, te vinden via https://www.marxists.org/nederlands/luxemburg/1906/massastaking/index.htm In het Engelse taalgebied staat dit boekje bekend als ‘The mass strike’.

3 Met vindt Lenins aanvankelijke gezichtspunt via zijn beruchte geschrift ‘Wat Te Doen?’ dat hij later overigens ook niet al te serieus nam. Maar Rosa Luxemburg reageerde op een latere tekst van Lenin: ‘Een stap voorwaarts, twee stappen terug’ uit 1904, in het Engels te vinden via https://www.marxists.org/archive/lenin/works/1904/onestep/index.htm . Er is een veel kortere gelijknamige tekst in het Nederlands te vinden, via hetzelfde Marxists Internet Archive, maar dat is niet dezelfde tekst. De reactie van Rosa Luxemburg heet ‘Organisatie vraagstukken van de Russische sociaaldemocratie’, dateert uit 1904 en is te vinden via https://www.marxists.org/nederlands/luxemburg/1904/1904organisatie.htm

4 Rosa Luxemburg, ‘The Accumulation of Capital’, (1913), te vinden via https://www.marxists.org/archive/luxemburg/1913/accumulation-capital/index.htm

5 In mijn bespreking van deze ingewikkeldheden leun ik op Judy Cox, ‘Can capitalism go on forever’, International Socialism Journal, 5 oktober 2004, te vinden via http://isj.org.uk/can-capitalism-go-on-forever/ en op het hoofstuk ‘The Accumulation of Capital’, uit: Tony Cliff, ‘Rosa Luxemburg’, (eerste druk1959/ tweede, hier gebruikte druk Londen 1983).

Dit boekje is trouwens een bruikbare inleiding op het werk van Rosa Luxemburg vanuit een trotskistisch perspectief dat ik inmiddels niet meer deel. Cliff is de inhoudelijke Godfather van de politieke traditie waarvan de Internationale Socialisten in Nederland onderdeel zijn, en van die Internationale Socialisten heb ik bijna 20 jaar zelf deel uit gemaakt. Bijbehorende literatuur staat nog steeds in mijn boekenkast, vandaar. Ook de International Socialism Journal staat in die politieke traditie.

6 Rosa Luxemburg, ‘De crisis der sociaaldemocratie – De Juniusbrochure’, april 1915, uitgegeven in 1916, te vinden via https://www.marxists.org/nederlands/luxemburg/1915/junius/index.htm

7 Rosa Luxemburg, ‘De Russische revolutie’(1918), te vinden via https://www.marxists.org/nederlands/luxemburg/1918/1918rr.htm

8 Over die revolutie heeft Sebastan Haffner een prachtig boek geschreven: ‘De Verraden Revolutie – Duitsland 1918-1919’, recenter verschenen als ‘De Duitse revolutie 1918-1919 – de nasleep van de Eeerste Wereldoorlog’. In dat boek een afzonderlijk hoofdstuk over de jacht op Rosa Luxemburg en de moord die daarvan uiteindelijk de uitkomst was.

In de vorm van een uitvoerige bespreking van dat boek, bedoeld voor het blad Buiten de Orde maar daarin niet geplaatst, loop ik de gebeurtenissen van 1918-1919 ook langs. Zie Peter Storm, ‘Vertellingen van Victorie en Verraad – Sebastian Haffner over de Duitse revolutie’, 5 januari 2019, https://ravotr.noblogs.org/post/2019/01/05/vertellingen-van-victorie-en-verraad/

9 Rosa Luxemburg, ‘Oh! How – German is this Revolution!’, Die Rote Fahne, 18 november 1918, te vinden via https://www.marxists.org/archive/luxemburg/1918/11/18.htm

10 Rosa Luxemburg, ‘What Does the Spartacus League Want?’, Die Rote Fahne, 14 december 1918, https://www.marxists.org/archive/luxemburg/1918/12/14.htm

11 Rosa Luxemburg, ‘Orde heerst in Berlijn!’, Die Rote Fahne, nr 14, 14 januari 1919, te vinden via https://www.marxists.org/nederlands/luxemburg/1916/1916pamfletten.htm

Peter Storm